De huidige internationale richtlijnen, waaronder de ESC, ESH en ACC/AHA, adviseren voor de meeste patienten een bloeddrukstreefwaarde van <130/80 mmHg.1,3,4,*
Een mogelijke oorzaak van moeilijk te behandelen hypertensie.1,2
Moeilijk te behandelen hypertensie betreft ongecontroleerde of resistente hypertensie, bijvoorbeeld bij patiënten die moeite hebben om de bloeddrukstreefwaarden te behalen ondanks behandeling volgens de richtlijnen.1,5
ACC = American College of Cardiology; AHA = American Heart Association; ASCVD = atherosclerotische hart- en vaatziekten; BD = bloeddruk; CHD = coronaire hartziekte; CV = cardiovasculair; CVD = hart- en vaatziekten; ESC = European Society of Cardiology; ESH = European Society of Hypertension; ESKD = nierfalen in het eindstadium; HF = hartfalen; HTN = hypertensie; ISH = geïsoleerde systolische hypertensie; MI = myocardinfarct; RR = relatief risico; TIA = transiënte ischemische aanval.
* ESC-richtlijnen 2024: Om het risico op hart- en vaatziekten te verlagen, wordt aanbevolen om bij de meeste volwassenen een systolische bloeddruk van 120-129 mmHg te bereiken, mits de behandeling goed wordt verdragen (Klasse I, Level A). In gevallen waarin de systolische bloeddruk tijdens de behandeling gelijk is aan of lager is dan de streefwaarde (120-129 mmHg), maar de diastolische bloeddruk niet gelijk is aan de streefwaarde (≥ 80 mmHg), kan het intensiveren van de bloeddrukverlagende behandeling om een diastolische bloeddruk van 70-79 mmHg te bereiken worden overwogen om het risico op hart- en vaatziekten te verminderen (Klasse IIb, Level C). Omdat het cardiovasculaire voordeel van een systolische bloeddruk streefwaarde van 120-129 mmHg tijdens de behandeling mogelijk niet geldt voor de volgende specifieke situaties, dienen gepersonaliseerde en minder strenge systolische bloeddruk streefwaarden (bijv. < 140 mmHg) te worden overwogen bij patiënten die aan de volgende criteria voldoen: symptomatische orthostatische hypotensie vóór de behandeling; en/of leeftijd ≥ 85 jaar (Klasse IIa, Niveau C). Omdat het cardiovasculaire voordeel van een systolische BP-streefwaarde van 120-129 mmHg tijdens de behandeling mogelijk niet geldt voor de volgende specifieke situaties, kunnen gepersonaliseerde en minder strenge bloeddruk streefwaarden (bijv. < 140/90 mmHg) worden overwogen bij patiënten die aan de volgende criteria voldoen: klinisch significante, matige tot ernstige kwetsbaarheid op elke leeftijd; en/of een beperkte verwachte levensduur (< 3 jaar) (Klasse IIb, Level C). ESH-richtlijnen 2023: Voor patiënten van 18-64 jaar is het doel de bloeddruk in de spreekkamer te verlagen tot < 130/80 mmHg (Klasse I, Level A). Voor patiënten van 65-79 jaar is het primaire doel van de behandeling het verlagen van de bloeddruk tot < 140/80 mmHg (Klasse I, Level A). Het verlagen van de bloeddruk tot ≤ 130/80 mmHg kan echter worden overwogen als de behandeling goed wordt verdragen (Klasse II, Level B). Voor patiënten van 65-79 jaar met geïsoleerde systolische hypertensie (ISH) is het primaire doel van de behandeling het verlagen van de systolische bloeddruk tot een waarde tussen 140 en 150 mmHg (klasse I, niveau A). Een verlaging van de systolische bloeddruk in de spreekkamer naar een waarde tussen 130 en 139 mmHg kan echter worden overwogen indien dit goed wordt verdragen, zij het met de nodige voorzichtigheid als de diastolische bloeddruk al lager is dan 70 mmHg (Klasse I, Level B). Bij patiënten van 80 jaar en ouder moet de systolische bloeddruk in de spreekkamer worden verlaagd tot een waarde tussen 140 en 150 mmHg (Klasse I, Niveau A). Een verlaging van de systolische bloeddruk in de spreekkamer tot tussen de 130 en 139 mmHg kan echter worden overwogen indien dit goed wordt verdragen, zij het met de nodige voorzichtigheid als de diastolische bloeddruk al onder de 70 mmHg ligt (Klasse II, Level B). ACC-/AHA-richtlijnen 2025: Voor volwassenen met vastgestelde hypertensie die een verhoogd risico lopen op hart- en vaatziekten (gedefinieerd als een voorspeld risico op hart- en vaatziekten van ≥ 7,5% over 10 jaar volgens PREVENT), wordt een streefwaarde voor de systolische bloeddruk van ten minste < 130 mmHg aanbevolen, met de aanmoediging om een systolische bloeddruk van < 120 mmHg te bereiken, om het risico op cardiovasculaire events en totale sterfte te verminderen (Klasse I, Level A). Bij volwassenen met vastgestelde hypertensie die geen verhoogd risico lopen op hart- en vaatziekten, kan een streefwaarde voor de systolische bloeddruk (SBD) van < 130 mmHg, met de aanmoediging om een SBD van < 120 mmHg te bereiken, redelijk zijn om het risico op verdere bloeddrukstijging te verminderen (Klasse 2b, Level B-NR).
† Een systematische beoordeling en meta-analyse van 123 gerandomiseerde onderzoeken (gepubliceerd tussen 1966 en 2015) onderzocht de effecten van bloeddrukverlaging op cardiovasculaire ziekten en sterfte bij verschillende uitgangswaarden van de bloeddruk en comorbiditeiten bij 613.815 deelnemers. Er werden ook gegevens verzameld over belangrijke cardiovasculaire events (gedefinieerd als fatale en niet-fatale myocardinfarcten, plotselinge hartdood, revascularisatie, fatale en niet-fatale beroertes en fataal en niet-fataal hartfalen), coronaire hartziekten (fatale en niet-fatale myocardinfarcten en plotselinge hartdood, exclusief stille myocardinfarcten), beroertes (fatale en niet-fatale, exclusief TIA’s), hartfalen (nieuwe diagnose van hartfalen, ziekenhuisopname of overlijden) en nierfalen (ESKD resulterend in dialyse, transplantatie of overlijden) en mortaliteit door alle oorzaken. De relatieve risico’s voor cardiovasculaire gebeurtenissen per verlaging van de systolische bloeddruk met 10 mmHg waren als volgt: ernstige cardiovasculaire gebeurtenissen: 20% (RR=0,80; 95% BI: 0,77–0,83); CHD: 17% (RR=0,83; 95% BI: 0,78–0,88); beroerte: 27% (RR=0,73; 95% BI: 0,68–0,77); HF: 28% (RR=0,72; 95% BI: 0,67–0,78); mortaliteit door alle oorzaken: 13% (RR=0,87; 95% BI: 0,84–0,91); nierfalen: 5% (RR=0,95; 95% BI: 0,84–1,07). Het effect op nierfalen was niet significant.
Referenties:
NL-18632 Prod. 07/2026